10 oktober t/m 13 november 2014

DE PARADOX VAN LUIHEID

Recensie door Vincent van Velsen

video-in-progress-yelle-historian-interview

Wat gebeurt er als je twee kunstenaars samenbrengt die zich met het snijvlak tussen kunst en leven bezighouden? Rumiko Hagiwara en Mounira al Solh onderzochten tijdens hun residentie de hedendaagse betekenis van luiheid. Zij bestudeerden teksten over dit onderwerp, zochten naar manieren om lui te zijn en spraken met vele personen over het onderwerp. De handelingen en gesprekken filmden zij; relevante teksten lagen bij Syb op de tekstentafel. Dit alles werd gepresenteerd onder het genot van bitterballen en friet – lui voedsel bij uitstek – met op de achtergrond een aaneenschakeling van gefilmd documentatiemateriaal. Ongeëdit, zoals het bij luiheid past.

De film toont manieren waarop je lui kan zijn. Opmerkelijk is dat op de een of andere manier het lui zijn altijd gepaard gaat met een handeling. Pilates, schoonheidsmaskers of liggen roken in een speeltuin; altijd is het een actieve vorm van luiheid die wordt uitgedragen. Belangrijk uitgangspunt voor het duo was de tekst van Mladen Stilinovic In Praise of Laziness waarin hij vertelt dat kunst binnen de westerse kapitalistische democratische samenleving geheel is aanvaard en opgenomen binnen het heersende economisch discours. Hierdoor is kunst slechts een van de vele mogelijke productiewijzen waarop iemand zijn of haar dag ‘nuttig’ kan doorbrengen en draagt het niet meer de stempel van luie activiteit. Sven Lütticken spreekt in deze zin (Slothism, 2014) over chronopolitics: tijd als economische ruilwaarde. In de 24-uurs economie is bijdragen aan economische groei en meetbaarheid het hoogste doel: work hard, consume hard. Produceren tijdens werktijd en consumeren tijdens vrije tijd – zover een zuivere scheiding überhaupt nog bestaat.

De kunstenaars lijken op eenzelfde wisselwerking te zijn gestuit. Terwijl ze luiheid uitdragen en onderzoeken zijn ze hard bezig. To work, or not to work lijkt hier vooral een retorische vraag. In de 19de-eeuw stelde Marx’ schoonzoon Paul Lafargue (The Right to be Lazy, 1880) dat religie werd gebruikt om de economische en daaruit voortkomende politieke overheersing te ondersteunen met de goddelijke eis dit leven hard te werken om in het hiernamaals daarvoor beloond te worden. Nu is het de de neo-liberale doctrine die ons maakt werken, met het geloof dat meer altijd beter is: greed is good. Werklozen zijn luiwammesen en van werk wordt je beter: maar is dit wel echt zo?

Bij de Grieken was werken enkel voorbehouden aan slaven; de burgers – inwoners van Athene – hielden zich bezig met het mentale leven en keken neer op fysieke arbeid. Dat is nu wel anders. Het mentale wordt constant overschaduwd door de praktische zaken, de eis van permanente performance, betaalde aanwezigheid en een constant parate houding tot handelen. Niet voor niets slapen de meeste mensen nauwelijks meer dan zes uur per dag en reikt de lang arm van werk onder invloed van emails en smartphones tot in de slaapkamer. Toch is keer op keer bewezen dat rust, lazyness zo u wilt, een positieve invloed heeft op zowel de geestelijke gesteldheid als de kwaliteit van productie.

Zo zei Bertrand Russel dat kwalitatief hoogstaande kennis niet voortkomt uit praktisch nut, maar uit een contemplatieve staat van de geest. De beste ideeën zijn visies die veelal voort komen uit momenten die als ‘zinloos’ en ‘onnutig’ worden bestempeld; Peter Higgs (van het befaamde deeltje) beaamt dit besef en zegt dat hij vandaag de dag nooit meer zou kunnen werken op de manier waarop hij tot zijn theorie kwam: de tijd en gemoedsrust die hij nodig had om tot zijn theorie te komen wordt niet meer gegeven, want deze is simpelweg niet productief genoeg. Tegenwoordig is het niet meer werktijd die wordt gemeten, maar productie. Gerelateerd bekritiseert Lafargue werk vanuit een Marxistisch perspectief waarbij het een slavernij van iemands tijd en geest is; onder de slogan ‘recht op werk’ wordt de werkende klasse mentaal in toom; terwijl het juist verveling en luiheid zijn, die de creativiteit voortbrengt en daarmee de vooruitgang van de mens bewerkstelligt.

Overeenkomstig stelde Nietzsche dat de burgers aan het werk worden gehouden vanuit de angst van de politieke machthebbers voor de vrije invulling en wensen van het individu. Zolang personen worden gedwongen bezig te zijn, doen ze geen gekke dingen: ‘werk is de beste politie’. Het is de beste manier om iedereen netjes in het gareel te houden en tegelijk de ontwikkeling op mentaal vlak efficiënt te belemmeren. Het opgebruiken van mensen hun energie zorgt er voor dat zij geen tijd meer hebben voor reflectie, piekeren, dromen, zorgen, liefde en haat. Het geeft korte termijn doelen – maandelijkse betaling, het voltooien van een handeling – wat zorgt voor een gemakkelijke en regelmatige voldoening.

Interessant genoeg bestaat het woord verveling (boredom in de Engels taal) pas als ‘probleem’ en theoretisch concept sinds het einde van de 18de-eeuw. Het is een bijproduct van het vervelende eentonige werk dat werd verricht in fabrieken en andere geïndustrialiseerde takken van productie. Tegelijk heeft verveling de weg naar allerhande vormen van entertainment geopend, want wie verveeld is, moet vermaakt worden: radio tijdens weinig uitdagende werkzaamheden of op de bank voor de televisie na een hele dag vervelende arbeid. Vrijetijdsbesteding bestaat slechts bij de gratie van werk; gelijk vakantie en pauze. Dit taalgebruik houdt in dat werk wordt gezien als een permanente staat waarbij ‘leuke handelingen’ als fijne tussendoortjes dienen, als aangename afwisseling, of meer dan welkome afleiding van het monotone en voortdurende bijdragen aan de economie.

De recente opkomst van bedrijven als Uber, Thuisafgehaald en AirBnB, werken het economiseren van de vrije tijd alleen maar meer in de hand: koken, eten, autorijden of het hebben van een gemoedelijk huis wordt hiermee allen onderhevig aan commodification. Onder druk van de broodnodige extra inkomsten naast de geringe vergoeding die de tijd van een gewone werkzame burger heden ten dage nog opbrengt zijn allerhande vormen van nieuwe type ‘bijbaantjes’ voor volwassen fulltimers in afnemende mate een uitzondering.

‘Thinking about doing anything, might easily lead to doing something’ aldus Jerry Seinfeld in de gelijknamige sitcom over niks doen. Dat is precies van Hagiwara en Al Solh ons toonden in hun onderzoek: luiheid mondt – paradoxaal genoeg – toch vooral uit in andere dingen doen. Roken, Pilatus, gezondheidsmaskers maken en aanbrengen, of vormen van anderen aan het werk zetten ter compensatie van de eigen luiheid of vermaak. Niet voor niks zei Al Solh dat je luiheid en tijd kan kopen. Het economisch imperatief van werk om te (over)leven kan alleen worden tegen gegaan door jezelf af te zonderen en zelfvoorzienend te zijn om je daarmee af te sluiten van enige vorm van geld-gerelateerde handelingen; een residentie leek die zin een de gepaste methode bij uitstek. Uiteindelijk werd er heel veel gedaan en weinig daadwerkelijk geluierd. Oblomov, de door Ivan Goncharov beschreven protagonist uit het gelijknamige boek, kan als laatste les dienen: hij luierde zijn hele onopmerkzame leven lang tot het uiteindelijk rustig doofde als een nachtkaars. Het bracht weinig goeds, maar echt heel veel slechter werd hij er ook niet van.

todayb200

Wat sil der barre as jo twa keunstners byinoar bringe dy’t harren dwaande hâlde mei it snijflak tusken keunst en libben? Rumiko Hagiwara en Mounira al Solh ûndersochten yn de perioade fan harren residinsje de hjoeddeistige betsjutting fan loaiens. Sy bestudearren teksten oer dat ûnderwerp, sochten om wizen fan loaiwêzen en praten mei in protte minsken oer it ûnderwerp. De aktiviteiten en petearen hawwe hja filme; relevante teksten leinen by Syb op de tekstetafel. Dat waard allegearre presintearre ûnder it genot fan bitterballen en fryt – loai iten by útstek – mei op de eftergrûn in lange rige fan dokumintaasjemateriaal op film. Unbewurke, sa’t it by loaiheid past.

De film toant manieren om loai te wêzen. Opfallend is dat it by it loaiwêzen op de ien of oare wize altyd om in hanneling te rêden is. Pilates, skjintmemaskers of lizze te smoken yn in boarterstún; altyd is it in aktive foarm fan loaiens dy’t útgedroegen wurdt. In wichtich útgongspunt foar it duo wie de tekst fan Mladen Stilinovic In Praise of Laziness dêr’t er yn fertelt dat keunst yn de westerske kapitalistyske demokratyske maatskippij folslein akseptearre is en opnommen yn it algemien hearskjende ekonomysk tinken. Dêrtroch is keunst gewoan ien fan al dy mooglike aktive wizen om jins dei ‘nuttich’ trochbringe te kinnen en draacht it net mear it stimpel fan loaie aktiviteit. Sven Lütticken praat yn dy sin (Slothism, 2014) fan ‘chronopolitics’: tiid as ekonomyske ruilwearde. Yn de 24-oere-ekonomy is it bydragen oan ekonomyske groei en mjitberens it heechste doel: work hard, consume hard. Produsearjen yn wurktiid en konsumearjen in frije tiid – safier’t in wiere skieding überhaupt noch bestiet.

De keunstners liken in selde wikselwurking tsjinkommen te wêzen. Wylst se loaiheid útdrage en ûndersykje, binne se hurd oan ‘e gong. To work, or not to work liket hjir benammen in retoaryske fraach. Yn de 19de iuw stelde Marx syn skoansoon Paul Lafargue (The Right to be Lazy, 1880) dat religy brûkt waard om de ekonomyske en de dêrút fuortkommende politike oerhearsking te stypjen mei de godlike eask om yn dit libben hurd te wurkjen om dêr yn it hjirneimels foar beleanne te wurden. No is it de neo-liberale doktrine dy’t ús wurkje lit, mei de oertsjûging dat mear altiten better is: greed is good. Wurkleazen binne loaikerts en wurkjen wurdst better fan: mar is dat wol echt sa?

By de Griken wie wurkjen inkeld ornearre foar slaven; de boargers – ynwenners fan Athene – holden har dwaande mei it mentale libben en seagen del op fysike arbeid. Dat is no wol oars. It mentale wurdt hieltyd oerskade troch de praktyske saken, de eask fan permanent performance, betelle oanwêzichheid en in konstant parate hâlding ta hanneljen. It is net samar dat de measte minsken mar amperoan seis oere deis sliepe en de lange earm fan it wurk ûnder infloed fan e-mails en smartphones oant yn ‘e sliepkeamer rikt. Dochs is kear op kear bewiisd wurden dat rêst, lazyness sa’t jo wolle, in positive ynfloed hat op sawol de geastlike kondysje as de kwaliteit fan produksje.

Sa sei Bertrand Russel dat kwalitatyf heechsteande kennis net fuortkomt út praktysk nut, mar út in kontemplative steat fan de geast. De bêste ideeën binne fyzjes dy’t fakentiids fuortkomme út mominten dy’t as ‘sinleas’ en ‘ûnnuttich’ bestimpele wurde; Peter Higgs (fan it ferneamde dieltsje) stimt dat besef mei en seit dat er hjoeddedei nea mear wurkje kinne soe op de wize wêrop’t er ta syn teory kaam: de tiid en gemoedsrêst dy’t er nedich hie om ta syn teory te kommen wurdt net mear jûn, want dy is simpelwei net produktyf genôch. Tsjintwurdich is it net mear wurktiid dy’t metten wurdt, mar produksje. Yn ferbân dêrmei bekritisearret Lafargue (it begryp) wurk út in Marxistysk perspektyf wei en dêrby is it in slavernij fan ien syn tiid en geast; ûnder de slogan ‘rjocht op wurk’ wurdt de wurkjende klasse mentaal yn ‘e stringen holden; Wylst it krekt ferfeling en loaiens is, dy’t de kreativiteit opsmyt en dêrmei de foarútgong fan de minsk bewurkmasteret.

Yn oerienstimming dêrmei stelde Nietzsche dat de boargers oan it wurk holden wurde út eangst fan de politike machthawwers foar de frije ynfolling en winsken fan it yndividu. Salang’t minsken twongen wurde om dwaande te wêzen, dogge se gjin mâle dingen: ‘wurk is de bêste polysje’. It is de bêste manier om eltsenien kreas yn it stokramt te hâlden en fuort ek de ûntjouwing op mentaal flak effisjint te behinderjen. It opbrûken fan de lju harren enerzjy soarget derfoar dat sy it net mear oan tiid hawwe foar refleksje, prakkesearje, dreame, soargen, leafde en haat. It jout koarte termyn-doelen – alle moannen betelling, it ôfmeitsjen fan in hanneling – wat soarget foar in maklike en regelmjittige foldwaning.

Nijsgjirrigernôch bestiet it wurd ferfeling (boredom yn it Ingelsk) pas as ‘probleem’ en teoretysk konsept sûnt de ein fan de 18de iuw. It is in byprodukt fan it ferfelende ientoanige wurk dat dien waard yn fabriken en oare yndustrialisearre foarmen fan produksje. Tagelyk hat ferfeling de wei nei alderhanne foarmen fan ferdivedaasje iepene, want wa’t him ferfeelt, moat fermakke wurde: radio ûnder wurksumheden dy’t net bot útdaagjend binne, of op de bank foar de telefyzje nei in hiele dei ferfelende arbeid. frijetiidsbesteging bestiet allinnich mar by de graasje fan wurk; lykas fakânsje en skoft. Datsoarte fan taalgebrûk hâdt yn dat wurk sjoen wurdt as in permaninte tastân wêrby’t ‘moaie hannelingen’ as aardichheidsjes tuskentroch tsjinje, as noflike ôfwikseling, of mear as wolkomme ôflieding fan it monotoane en allegeduerigen bydragen oan de ekonomy.

De resinte opkomst fan bedriuwen lykas Uber, Thuisafgehaald en AirBnB, wurkje it ekonomisearjen fan de frije tiid allinnich mar mear yn ‘e hân: ite en itensiede, autoride of it hawwen fan in geryflik hûs wurdt dêrmei allegear ûnderhearrich oan ‘commodification’. Under druk fan de breanedige ekstra ynkomsten njonken de lytse fergoeding dy’t de tiid fan in gewoane wurksume boager hjoed-de-dei noch opbringt, binne alderhanne foarmen fan nije soarten ‘bybaantsjes’ foar folwoeksen professionals hieltyd minder faak in útsûndering.

‘Thinking about doing anything, might easily lead to doing something’ alsa Jerry Seinfeld yn de sitcom ,ûnder deselde titel, oer neatdwaan. Dat is krekt wat Hagiwara en Al Solh ús sjen lieten yn harren ûndersyk: loaiheid resultrearret – paradoksaal genôch – dochs benammen yn oare dingen dwaan. Smoke, Pilatus, sûnenssmaskers meitsje en oanbringe, of foarmen fan oaren oan it wurk te setten as kompinsaasje fan de eigen loaiens of fermeits. Net foar neat sei Al Solh dat jo loaiens en tiid keapje kinne. It ekonomyske ymperatyf fan wurk om te (oer)libjen kin allinich tsjingien wurde troch josels ôf te sûnderjen en josels te foarsjen om jo dêrmei ôf te sluten fan eltse foarm fan hanneljen dy’t mei jild te krijen hat; in residinsje like yn dy sin in tige passende metoade. By einbeslút waard der in hiel soad dien en yn wurklikheid mar in bytsje loaike. Oblomov, de troch Ivan Goncharov beskreaune protagonist út it ek sa neamde boek, kin as lêste les tsjinje: hy loaike syn hiele ûnopmerksume libben lang oant it op ’t lêst rêstich útdôve as in nachtkears. It brocht him net folle goeds, mar echt folle minder waard er der ek net fan.