24 mei t/m 19 juni 2005

GEDEELDE EIGENHEID

Recensie door Petra Else Jekel

Enkele vragen naar aanleiding van ‘Moeilijk lichaam’

Samenwerken, wat is dat eigenlijk? Een samenwerkingsproject tussen twee beeldend kunstenaars, hoe moet dat eigenlijk? Het zijn deze basale vragen, die een enorme urgentie lijken te krijgen in het project ‘Moeilijk lichaam’ van Loes Groothuis en Elaine Vis dat momenteel loopt in Kunsthuis Syb. De vragen zijn essentieel niet alleen omdat het samen projecten aangaan en processen doormaken een veelvoorkomende bezigheid lijkt te zijn in de hedendaagse kunstpraktijk, maar ook omdat het bestaansrecht van Kunsthuis Syb er mede op gebaseerd is. Samenwerking en interdisciplinariteit vormen twee belangrijke peilers van de identiteit het kunstenaarsinitiatief. De relatieve afgeslotenheid van het huis als werkplek in Beetsterzwaag en de openbaarheid van de vorderingen in het proces in de wekelijkse presentaties, geven er de dynamiek aan.

‘Moeilijk lichaam’ is een voortzetting van ‘We act normal’, het project dat beide kunstenaars vlak tevoren in kunstenaarsinitiatief Hotel Mariakapel te Hoorn realiseerden. De muurvullende tekeningen van Groothuis en de uit huishoudelijke elementen opgebouwde, ‘vlezige’ installaties van Vis, werden om te beginnen integraal 120 kilometer verplaatst. Groothuis vervulde die taak, terwijl Vis aan nog een andere expositie werkte. De eerste richtte de begane grond van het Kunsthuis volledig in met de aanwezige werken, waarop de tweede bij terugkeer meteen stevig ingreep. “Die vele kleine vierkante kastjes, allemaal met een stuk ‘vlees’ gevuld, hingen in de gang. Dat kon daar echt niet,” zegt Vis er over. Daarmee is de toon gezet. Waar het werk van beide kunstenaars in Hoorn nog vredig naast elkaar hing, wordt een echte confrontatie in Beetsterzwaag niet langer uit de weg gegaan.

Gewijd en werelds
In het gesprek dat ik met de kunstenaars heb over hun samenwerking, geven zij aan hoe anders de sfeer in het Kunsthuis is dan de in de statige, witte en gewijde atmosfeer in Hoorn. Het is voorstelbaar dat de tekeningen van Groothuis, die behalve naar alledaagse huiselijke objecten als potplanten en behangmotieven, ook naar religieuze beeldtradities verwijst, in de Mariakapel een andere nadruk krijgen dan hier. In een ‘Mariakapel’ ligt het meer voor de hand in de levensgrote zittende zelfportretten met bloemenvazen op schoot een klassieke Madonna-met-kind te herkennen. Ook het uit beschilderd was bestaande ‘vlees’ van Vis verliest misschien iets van zijn zwaarte, nu de directe link met de vleselijke zonden enerzijds en het lichaam van Christus anderzijds, samen met de religieuze context verdwijnt. Toch zette Groothuis het vlees van haar collega in borden op een houten kist, omringt met grote kandelaars, waardoor altaar en eetkamertafel gecombineerd worden. “Eerst wilden we het aanwezige podium inrichten als altaar, maar dat werd te zwaar,” zeggen de kunstenaars. Zo wordt duidelijk dat de ruimte waarin de ontmoeting tussen de kunstenaars plaatsvindt, door Vis als ‘lichaam’ aangeduid, meespeelt als derde partner.

Het ‘lichaam’ in de titel van het project lijkt inderdaad een centrale plaats in te nemen in het werk van beide kunstenaars en in de uitdaging van een project dat van kapel naar voormalige snoepjesbakkerij verhuist. ‘Moeilijk’ is daarbij een aanduiding die iets zegt over de manier waarop het lichaam in de wereld staat: niet eenduidig en aan een stuk, maar imperfect, verdeeld, verwrongen. Ook de aan lichamelijkheid gekoppelde beelden van mannelijkheid en vrouwelijkheid worden hiermee aan nader onderzoek onderworpen. Vis, die zegt zich in gezelschap van haar collega ‘de man van het stel’ te voelen, is bezig aan een installatie waarin zij een klassiek mannenpak verwerkt. Uitgeknipte broek- en jaspanden worden tot rechthoekige dozen gemaakt en boven elkaar aan doorzichtig draad gehangen voor een muur, die volgens de kunstenaar hierdoor opeens kwetsbaar afsteekt. Zij ziet dit als een daad die de door haar als ‘vrouwelijk’ bestempelde bloemen en andere rijk gekleurde motieven in het werk van Groothuis, in evenwicht brengt. Het dualisme in de conventionele betekenissen van mannelijkheid en vrouwelijkheid wordt hiermee onderstreept. Het werk van de een wordt zodoende belicht vanuit de visie die het werk van de ander uitdraagt en vice versa. Als het werk door de bril van dat van de ander wordt gezien, kan er een gezamenlijke thematiek naar voren komen, die volgens de kunstenaars ligt in het ‘menselijk onvermogen’.

Maar voordat die gezamenlijke thematiek naar voren kan treden, moet Groothuis naar eigen zeggen ‘uit haar tekeningen breken’. Niet alleen ruimtelijk, om van het tweedimensionale aan te kunnen sluiten bij het driedimensionale werk van Vis, maar ook overdrachtelijk, om uit haar manier van denken te kunnen stappen en zich te openen voor de visie van haar collega. Ze is bereid om uit wat ze haar ‘eigen wereld’ noemt, te stappen. “Die wereld van mij is een soort vlucht voor de werkelijkheid, die ik nodig heb om te overleven,” zegt de kunstenaar en laat het daar niet bij. Zij ‘steelt’ textielsnippers die overblijven van Vis’ installatie en maakt er een vaasje van voor haar driedimensionale bloemeninstallatie in het voorhuis. Al handelend denkt zij na over de relatie tussen de twee kunstenaars. Vis reflecteert daarentegen meer buiten de materie om; zij ziet conceptuele verbanden zonder dat zij aan de tekeningen van haar collega hoeft te zitten. Zij betrapt zich er op te streven naar wat in haar ogen ‘een goede presentatie’ is. Maar wat is eigenlijk een goede presentatie als de opdracht is om ‘samen te werken’ en hoe ver gaat die samenwerking dan? De kunstenaars lijken er beide andere consequenties aan te verbinden. Maar als zij zowel materie als gedachtegoed gaan delen, wie is dan de maker nog?

Kunstenaarsonvermogen
Of de twee makers uiteindelijk één worden, valt te betwijfelen en blijkt uiteindelijk ook niet de bedoeling. Maar hoeveel eigenheid mag er opgegeven worden en hoeveel moet er behouden blijven? Groothuis’ werk lijkt in eerste instantie veel meer in een ‘autonome’ kunsttraditie te staan, als tekeningen die op zichzelf staand aan willekeurig welke wand gepresenteerd zouden kunnen worden. Ze gaan over wie de kunstenaar is ten opzichte van zichzelf en zijn daarmee ‘psychologisch’. Ter plekke een nieuw werk maken zit er voor haar niet in; de tekeningen ontstaan in een zeer traag proces. Het aantasten van haar bestaande tekeningen is de grens voor de interventies van Vis in haar werk. De installaties van Vis lijken in vergelijking zogezegd in een ‘collectieve’ traditie te staan, gewend dat zij is aan het leggen van relaties van haar werk met dat van anderen en met de directe omgeving waar haar werken zich in bevinden. Haar werk ontstaat op locatie en is daardoor ‘sociologisch’ te noemen. ‘Wie ben ik als mens in de wereld’, lijkt het zich af te vragen. Het is dan ook niet vreemd dat de twee opmerken dat hun ruimtelijke benadering totaal verschilt. De ontmoeting is lastig en lijkt alleen maar moeizamer te worden. “Hoe meer we proberen elkaars visie te doorgronden en de gezamenlijkheden er in te ontdekken, hoe meer blijkt hoe verschillend we eigenlijk zijn.”

Een nadeel van samenwerken en misschien al van samen exposeren, is dat dit beperkend kan werken op hoe het werk gezien wordt. In relatie met het werk van de ander valt tenslotte steeds een bepaald aspect van het werk op, terwijl het op zichzelf vele malen rijker is. Bovendien is, om een visie naar boven te halen in de presentatie, een zekere overredingskracht nodig. En als de relatie tussenbeide ligt in het denken, hoe maak je dat dan zichtbaar in de materie van werk en presentatie zonder schooljuf te worden? Ook schuilt er gevaar in het zoeken naar een presentatie die, om te kunnen overtuigen, louter evenwichtig is, zodat echt engagement uitgesteld en de angel er uit gehaald wordt. De vraag naar het relatieve belang van proces of product is hier ook relevant. Als het proces belangrijk is, hoe moet een beschouwer dat dan kunnen afleiden aan de presentatie? En als het product belangrijk is, gaat dan de inhoud die ligt in het creatieproces, niet geheel verloren? Het is onwaarschijnlijk dat het ‘gelegenheidsduo’ deze haast existentiële problematiek van de hedendaagse kunst op zal lossen, maar er kan middels het project wel een uitspraak over worden gedaan.

Vanuit de bedachte gezamenlijke thematiek, menselijke onvermogen, zou de conclusie kunnen zijn dat dit project alleen slaagt als er een onvermogen naar boven komt drijven om in het samenwerken elkaar werkelijk te naderen, om een antwoord op de ruimte en op elkaars werk te formuleren en het project kortweg mislukt. “Moet je wel samenwerken?” vraagt Vis zich dan ook terecht af aan het eind van het gesprek. “Moet je wel van te voren willen bedenken wat je gezamenlijke thematiek is?” vraag ik mij aan het eind van dit artikel af. Het bewust streven naar een gewenste inhoud kan het slagen van het project misschien alleen maar tegenwerken. Een echte ontmoeting zou volgens mij het gevolg moeten zijn van de onevenwichtige gebeurtenissen en gedachtesprongen die bij de confrontatie van twee visies naar voren komen. Of daar dan de thematiek ‘menselijk onvermogen’ uit te voorschijn komt, valt nog te bezien.

 

GERED DOOR HET TOEVAL?
door: Petra Else Jekel

Een vervolg op de bespreking van het project ‘Moeilijk lichaam’

Na afloop van het project hielden de twee kunstenaars Loes Groothuis en Elaine Vis een korte lezing over hun bevindingen tijdens het samenwerkingsproject, die met enkele dia’s ondersteund werd. Op zondag 19 juni 2005, de dag van de afsluiting, was het drukkend warm en scheen de zon zo fel dat het contrast tussen de donkere binnenruimte van het oude stenen woonhuis en de felle lichtstralen die door de ramen aan de voor- en achterkant van het pand naar binnen vielen, enorm was. Het kostte daardoor wat moeite om sommige afzonderlijke werken goed te kunnen zien en de totale gecreëerde ‘situatie’ als geheel te kunnen beschouwen. De dialezing vond plaats in het koele, donkere gedeelte. Groothuis uitte zich verheugd over de samenwerking, waar Vis nog steeds leek te moeten bekomen van de uitwerking die de samenwerking op haar had, vooral waar die duidelijk een inbreuk werd op de werkwijze die zij gewend was. Met name de vragen uit het publiek maakten dit duidelijk.

Iemand vroeg naar een tekening van Groothuis waarop een rode engelachtige figuur te zien is. De tekening hing vanaf het begin van het project op een lage, brede muur die een verticale scheiding kent van ‘muursoort’, waar de egale betonmuur overgaat in een heterogeen samenstel van afgekloven beton en tegels. De scheiding werd door de tekening bedenkt. Vanaf het begin wilde Vis het werk opschuiven zodat het beton het papier zou omzoomen als een lijst en zowel tekening als muur evenwichtiger uit zouden komen. Voor Groothuis hoefde dit niet zo nodig. Het voornemen voor opschuiven werd door de maker van het werk toch genomen, maar uiteindelijk niet uitgevoerd. “Dat was ook praktisch; andere dingen gingen nu eenmaal voor,” zegt zij hierover. Het is echter maar de vraag of dat zo toevallig was.

Werk als een woekerplant

Veel helderder dan de lezing en het vraagantwoordspel met het publiek was namelijk de presentatie zelf. In het voorhuis completeerde Groothuis haar ruimtelijke ensemble van vazen en levende bloemen. In het ‘hart’ van het kunsthuis realiseerde Vis een mensgrote drie-armige bloemenvaas van het voor haar typische wassen ‘vlees’. Zij goot hiermee voor het eerst haar vleesthema in een ‘figuratieve’ vorm, die bovendien rechtstreeks afgekeken was van Groothuis’ tekening, die door de ‘deuropening’ heen te zien was in de lange gang.

In het achterhuis bevonden zich twee werken van Vis: de opgestapelde dozen van delen van herenkostuums die zij al vanaf de eerste week voorbereidde, met aan de andere kant van het losse muurtje de daar kwetsbaar bij afstekende stapels wit ondergoed met randjes ‘vlees’ (dat in deze context echter meer aan schijfjes watermeloen doet denken). Inderdaad leek het werk van Vis hier een ‘steviger’ aanwezigheid te hebben, naast het sierlijke en uit decoratieve elementen opgebouwde werk van Groothuis, dat qua aanwezigheid haast overvloedig de wanden en de vloer van het achterhuis sierde.

In de kern van het achterhuis, tussen de losstaande muurtjes, hingen enkele getekende, draakachtige figuren van laatstgenoemde kunstenaar, als de beroemde Minotaurus in het centrum van het mythische labyrint. Deze metafoor is niet zo vreemd naast de vegetatieve vormen die in stoepkrijt op de betonnen vloer uitdijen in een kronkelend lijnenspel, dat aan gangenstelsels denken doet. Over het algemeen leek het werk van Groothuis de overhand te hebben gekregen in de presentatie. Haar kruip-door-sluip-door manier van samenwerken heeft tot gevolg gehad dat haar bloemen en patronen als denkbeeldige lianen (en soms ook werkelijke, in de vloertekeningen) door het gebouw heen slingeren en zelfs Vis’ vleesbrokken van vorm laat verschieten zoals Ovidius het nog niet bedacht had.

Een brug slaan
Het geheel doet hierdoor evenwichtig aan. Voor Vis is het alleen een ‘inschikkelijke’ positie geworden, die zij misschien van te voren niet voor haar werk in gedachten had. Geholpen doordat nergens werkbeschrijvingen, titels of naamkaartjes bij aanwezig zijn, lijken de artistieke identiteiten hier en daar in elkaar over te vloeien, zoals in het middenhuis waar de vaas van vlees, de vaas op de tekening en de werkelijke gebruiksobjecten die in de bloemeninstallatie zijn verwerkt, elkaar ontmoeten. De kunstenaars zijn hier ook meer filosofisch bezig dan zij waarschijnlijk vermoedden. Deze ‘situatie’ doet bijvoorbeeld aan het werk van Joseph Kosuth denken, die in 1965 verschillende ‘zijnstoestanden’ van bijvoorbeeld een stoel, naast elkaar presenteerde: in taal, in beeld en ruimtelijk.

De obstinaat onverplaatsbare rode tekening op de gesplitste muur kan als symbool gezien worden voor de samenwerking. De brokkelig muur staat voor de, oppervlakkig gezien, kwetsbaar aandoende artistieke identiteit van Groothuis; het solide dichtgesmeerde gedeelte kan een beeld zijn voor de artistieke identiteit van Vis. Groothuis hangt haar tekening ruim over de grens van haar gedeelte heen en van terugtrekken op een effen grondgebied is geen sprake. Zo vormt haar werk uiteindelijk de brug tussen de kunstenaars. En toen kwam er een olifant met een lange snuit…

 

MOEILIJK LICHAAM / We Act Normal II
Loes Groothuis en Elaine Visi
Projectperiode 24 mei t/m 19 juni 2005

Deze recensie werd geschreven in het kader van het recensentenprogramma van SYB. De recensie mag rechtenvrij worden gepubliceerd mits daartoe vooraf toestemming is verleend door SYB.

Dit project wordt mede gefinancierd door de Mondriaanstichting en de Provincie Fryslân.