23 september 2016

EEN PRIVÉRONDLEIDING DOOR GABBERNATION

Interview Henrike Naumann door Marian Cousijn 

gabbernation foto: Boris Postma gabbernation foto: Boris Postma

Leeft gabber hier een beetje?
‘Absoluut! Toen ik hier aankwam dacht ik even shit, waar ben ik aan begonnen. Dit dorpje is een soort Disneyland: zo vredig, perfect, zonder rauwe randjes. Maar toen kwam er een auto voorbijgereden en uit de ramen dreunde keiharde hardcore. Het schijnt de soundtrack om door dit landschap te rijden: toen ik een auto van iemand uit de buurt leende, ging zodra ik de sleutel omdraaide meteen dezelfde muziek aan.

De eerste week dat ik hier was, ben ik met de ravebus van Drachten naar Defqon in Biddinghuizen gegaan. De bus zat vol jonge kids die allemaal naar gabbermuziek luisteren. Juist in zo’n vredige, stille omgeving is er blijkbaar behoefte aan die harde, agressieve muziek.’

Hoe kwam je erbij om gabbercultuur te onderzoeken?
‘In het oosten van Duitsland, waar ik vandaan kom, was een grote gabberscene. Die werd veel geassocieerd met extreemrechts. Ik wist dat gabber oorspronkelijk helemaal niet rechts was, maar ik was benieuwd hoe bepaalde politieke bewegingen die subcultuur hebben overgenomen. Maar eenmaal hier vond ik het eigenlijk interessanter om te onderzoeken welke rol gabbercultuur op het platteland speelt.’ Lachend: ‘Ik ben helemaal geen plattelandsmens. Daarom was ik ook zo blij dat er iedere week een andere kunstenaar langskwam. Anders was ik hier echt gek geworden!’

Waarom wilde je er een gezamenlijk project van maken?
‘Het zijn allemaal mensen met wie ik al langer samen wilde werken, vrienden en kunstenaars die mijn interesses delen. Als je met meer bent, kunnen denkprocessen en ideeën zich sneller ontwikkelen. Ik vond het ook fijn om zelf wat meer op de achtergrond te blijven en de anderen hun eigen gang te laten gaan.’
We nemen plaats op de rand van een eenpersoonsbed, een onderdeel van de installatie Nexus ’96 die Naumann samen met Boris Postma maakte. Het is een remake van een jongenskamer anno 1996, compleet met authentieke meubels en aan de muur flyers voor feesten. Tussen de cd’s en stripboeken in de kast staat een TV waarop een door trotse ouders gefilmde voorstelling op het schoolplein te zien is: de jongens van groep 7 die netjes op een rijtje staan te hakken, in opperste concentratie.

Henrike wijst naar de TV. ‘Dat is Boris zelf. Ze leenden CD’s en trainingspakken van hun oudere broers: dat is heel typisch voor subculturen, dat je het altijd doorgegeven krijgt van mensen die ouder zijn dan jij, waardoor het iets mythisch krijgt.

De flyers aan de muren mochten we lenen van mensen uit de omgeving. Zodra ze hoorden dat we een tentoonstelling over gabbercultuur maakten, stelden ze hun privéarchief ter beschikking. Ze hadden mooie verhalen over de eerste Thunderdome en hun eigen radiozender.’

Waarom hebben jullie een kamer nagemaakt?
‘Ik maak vaker interieurs na in mijn werk. Ik ben opgegroeid in het Oost-Duitsland van de jaren negentig. Wat me na de val van de muur vooral bijbleef, was de plotselinge verandering in esthetiek: er kwamen ineens allemaal spullen die er heel anders uitzagen. Dat fascineert me nog steeds, daarom vond ik het ook zo leuk om naar de tweedehandswinkel in Drachten te gaan. De spullen waarmee mensen zich omringen, zeggen heel veel.’

Naast de jongenskamer staat een monitor waarop foto’s te zien zijn. ‘Samen met Boris ging ik de straat op om sporen van subculturen te zoeken, maar dat bleek heel lastig. Alles is hier zo stil en schoon: een groter contrast lijkt bijna niet mogelijk met gabbercultuur, waarin het idee van disruptie – van de Apocalyps zelf – heel belangrijk is. Maar toen realiseerden we ons dat de foto’s die we hier op straat maakten juist iets apocalyptisch hebben, omdat het hier totaal uitgestorven lijkt.’Ons gesprek wordt onderbroken door een keiharde klap, die in alle hoeken van het gebouw na lijkt te trillen. En dan nog een. En nog een – de knallen volgen elkaar steeds sneller op en gaan dan over in een agressieve beat.

Het akoestische geweld komt van Johannes Büttners installatie Jophok Bom. Henrike moet schreeuwen om zich verstaanbaar te maken: ‘We hebben veel gabbers uit de omgeving gesproken. Onze eerste vraag was: waar hangen jullie in godsnaam uit? Speciaal voor de rondhangende jeugd bleek een paviljoentje gebouwd te zijn. Maar op een dag besloten ze het op te blazen met een lawinepijl en een vat benzine: dat zie je op dit YouTube-filmpje.’

Waarom wilden ze hun eigen hangplek vernielen?
‘Omdat er verder niets te doen is hier! Als je aan gabber denkt, denk je aan Rotterdam, waar het gedreun van de heipalen de basis lijkt voor de beat. Maar hier is het zo stil, dat je je eigen explosies moet creëren.’

Büttner nam het geluid van de explosie als basis voor de basedrum. Vanuit de installatie lopen en draden door het hele pand, bevestigd aan zelfgemaakte sound devices die eruitzien als geïmproviseerde explosieven en het geluid van het filmpje versterken.

Dan komen we bij mijn favoriet: Cloud 9 van Bastian Hagedorn, die ook de muziek bij Jophok Bom componeerde. We kruipen een piepklein keldertje in – als je je heel klein maakt, kun je er met een man of drie zitten. Henrike trekt de gordijntjes achter ons dicht en drukt op een knop. Het keldertje vult zich met rook. Dan instrueert ze ons om op de grond te stampen. Een harde bassdrumexplosie en een flits van een stroboscoop volgen. Je kunt het kleine keldertje vullen met je eigen beat. ‘Dat is uiteindelijk de essentie van een gabberfeest: de rook, de flitsen en de beat.’Maar gabber is veel meer dan muziek alleen. Zo onderzocht Merle Vorwald in Beyond Thunderdome de beeldcultuur rondom de stroming, van Mad Max tot Aussies en Nike Air Max. Op de muur schilderde ze een behoorlijk diepe quote van een gabber uit de buurt: Vrede moet verstoord worden om weer vrede te vinden. Henrike: ‘De urge for destruction die uit die quote spreekt, is heel belangrijk voor deze tentoonstelling’

Voor de installatie The Birth of Gabber maakte Henrike het kantoortje na waar de jongens van ID&T in 1992 de allereerste Thunderdome organiseerden, die even verderop in de Thialf-arena in Heerenveen plaatsvond.

Wat heb je ontdekt over de relatie tussen gabbercultuur en extreemrechts?
‘Die is er niet echt. Ik sprak iemand die naar 174 gabberfeesten was geweest en nooit een gevecht heeft meegemaakt.’

Toch is het imago van gabbercultuur aangetast: veel mensen associëren het met extreemrechts geweld.
‘Er zijn wel degelijk extreemrechtse groeperingen die zich bepaalde elementen uit de gabbercultuur hebben toegeëigend. Rond 2000 was het echt problematisch, toen stonden ze fascistische flyers uit te delen op raves. Maar dat was meer een fase; op de echte diehard muziekliefhebbers had het geen invloed. Die gebruikten niet eens drugs. Daarom gaat de tentoonstelling uiteindelijk meer over de persoonlijke verhalen dan over politiek.’

Zijn de jongeren die nu naar gabber luisteren niet met politiek bezig?
‘Nee, niet echt. Maar voor mij persoonlijk is jeugdcultuur altijd politiek. In het Duitsland van de jaren negentig was nu eenmaal alles politiek. Het was een jonge, fragiele democratie. Het was voor mij interessant om te zien dat Nederlanders veel opener over politiek praten.’

Ten slotte: hoe was de opening?
Henrike glimlacht van oor tot oor. ‘Fantastisch! Er waren veel mensen uit de buurt, die hier nog nooit waren geweest. De jongens die het Jophok hadden opgeblazen waren de DJ’s. Er was een straatparade, er was een rave in de caravan in de achtertuin en we hebben tot diep in de nacht in Cloud 9 gezeten. Alle kunstenaars hadden hun vrienden en familie uitgenodigd en iedereen bleef logeren.’

Voor één avond was er dan dus toch wat te doen, in het stille Beetsterzwaag.